1945

Nog geen 17 toen de oorlog begon

Leo Hendrikx, Engelandvaarder, Spitfire-piloot, bierbrouwer

Door Wim Rhebergen

Leo Hendrikx, geboren 21 september 1923 te Roermond

Hij was nog geen 17 toen de oorlog begon
Een jaar later verliet hij Horn, waar hij toen woonde, om naar Engeland te gaan.
Hij werd spitfire-piloot en vocht tegen de Duitse overheersing.
Na de oorlog studeerde hij aan de universiteit van Wageningen.
Hij maakte carrière bij Heineken bierbrouwerijen.
De hele wereld was zijn werkterrein.

Vriendenclub

Paul Barten, Jan Oyen, Harry Feyen, Leo Hendrikx, waren vier vrienden die samen een atletiekclubje vormden. Paul had het initiatief genomen en Jan, de classicus, bedacht de naam: Zephyr, naar de Griekse god, die als de westenwind over de aarde snelde.
Harrie Jansen, de kapelaan van het dorp die zich met de jongeren van de parochie bezig hield, haalde hen over om het clubje Achille-Ratti te noemen, de naam van paus Pius XI.
Goed opgevoede, gehoorzame roomse jongens waren ze.
Paul Barten was een jaar ouder dan Leo, een neef en die zich min of meer ontpopte als de leider van het groepje. Hij was een snelle denker en kwam steeds met nieuwe ideeën.
Jan Oyen werd Jantje Weetal genoemd om zijn formidabele kennis. Hij wist bijvoorbeeld alles van klassieke muziek. Hij bezocht evenals Leo het gymnasium in Roermond.
Harry Feyen had de ambachtsschool gedaan en werkte al. Hij woonde om de hoek bij Leo.

Oorlog

10 mei 1940. ’s Ochtends iets na vier uur kwam zijn moeder bij hem en zei: “Ik denk dat het oorlog is.” Ze hoorden het schieten bij de Maas. Om 10 uur zagen ze de eerste Duitsers in het dorp. Zijn vader dacht dat Oostenrijkers ‘beter’ waren dan Duitsers en zei tegen zijn zus José dat zij op de piano  maar ‘An der schönen blauen Donau’ moest spelen.
Later ontdekten de vrienden een dode Nederlandse soldaat bij de kazematten aan de Maas.
Ze wisten wie hij was. De vader van de soldaat was verbonden aan het bisschoppelijk college, hoofd van de tussenklas, waar de jongens uit de naburige dorpen rondom Roermond werden opgevangen, samen met Lücker, zijn collega. Een Roermondse jongen dus. En ja, er werd verschil gemaakt of je uit de stad kwam of uit het dorp.
Toen Leo drie jaar was, verhuisden zijn ouders van Roermond naar Horn, een dorp aan de Maas, precies tegenover Roermond. Een wereld van verschil. Dichtbij, zij hoefden de brug maar over en dan waren ze er al, maar toch anders, meer van het boerse land dan van de zelfbewuste stad aan de overkant.
En toen was het dus oorlog met Duitsland als grootmacht. Leo was nog geen 17.
Gele en rode verf is oranje

De vier vrienden hadden weinig geheimen voor elkaar. De oorlog was al snel een veelbesproken onderwerp. De Duitsers hadden Nederland in hun greep en de koningin zat in Engeland. Ze bedachten een grap. Ze kochten potten gele en rode verf, mengden die tot oranje en op de late avond van Koninginnedag, 31 augustus, schilderden ze op de eerste en tweede brug over de Maas met grote letters ‘Oranje boven’.
Zijn vader constateerde met enige voldoening dat ‘het ‘protest’ toch eens zo moest beginnen’. Hij wist niet dat dit het werk van Leo en zijn vrienden was,

Naar Engeland?

De jongens fantaseerden hardop met elkaar om naar Engeland te gaan. Weg van de Duitsers en hun bevelen, vrij. Ze zouden niet over zee gaan, de zee was ver weg en hadden ze nooit gezien. Nee, ze wilden over land, over land was het meest voor de hand liggend.
Zouden ze de route over het zuiden moeten nemen? Hoe dan? Daarover hadden ze geen idee. Over Joegoslavië misschien, maar toen Duitsland april 1941 ook Joegoslavië binnendrong, viel die mogelijkheid af. Dan maar via Frankrijk, Spanje, Portugal.
De fantasieën namen mettertijd meer vorm aan en groeiden uit tot een plan.
Ze besloten 14 mei, inmiddels één jaar na de capitulatie, te vertrekken.
Ze hadden wat zakgeld gespaard, en Paul en Harry hadden wat geld uit hun loonzakje achtergehouden.
Hun reisbagage bestond uit niet meer dan een trainingspak en gymnastiekschoenen. Kapelaan Jansen regelde voor Leo nog een afspraakje met een vriendin onder de voorwaarde dat Leo haar dan twee jaar met rust zou laten.
Niemand wist van hun plan, ook de ouders niet.
Ze schreven een dag van te voren een brief naar hun ouders om hen te vertellen dat zij die veertiende ’s avonds niet meer thuis zouden komen en inmiddels op weg waren naar Engeland.
Zo verzamelden zij zich die dag op de afgesproken plek op de Beegderheide, een gebied dat ze door de atletiek door en door kenden en waar zij vooraf hun bagage hadden verstopt.
Om half tien fietsten ze over de Napoleonsweg, een weg die haar naam dankt aan het feit dat Napoleon met zijn legers over deze weg naar het Noorden trok. Op naar het Zuiden.

Op weg

Ergens tussen Ittervoort en Hunsel gingen zij via een stille landweg de grens over. Ze waren tot op dat ogenblik slechts één auto tegengekomen. Het stelde hen gerust. Niemand was dus nog naar hen op zoek. Iets voor twaalven waren ze al in Molenbeersel, een dorp op de grens van Nederland en België. Zij verkochten hun fietsen aan een smid voor honderd gulden. Ze reisden verder met de bus en met de trein en ook grote afstanden lopend. Twee dagen later kwamen ze in Charleroi aan.
Het adreskaartje van het restaurant waar ze die avond aten, is altijd bewaard gebleven. ”Le plus ancien restaurant de la ville” – Fr. Luiten-Pairon.
Van Charleroi reisden ze met de trein naar het laatste stationnetje voor de Belgisch-Franse grens, ergens in de buurt van Maubeuge.
En vervolgens wandelden zij enkele uren naar Frankrijk. Het was een fluitje van een cent.
Ze kochten meteen maar een kaartje naar Parijs. Dat schoot tenminste op.
Toen ze St. Quentin waren gepasseerd, in Tergnier, werd er op papieren gecontroleerd. Hun Nederlands persoonsbewijs bleek onvoldoende voor het gebied waar ze reisden, een ‘zone interdite’. Wat te doen?
Ze zouden naar St. Quentin terug kunnen om een toelatingsstempel te halen. De jongens boden aan om naar St. Quentin te gaan, maar de Fransen bleven moeilijk doen. Er werd gepraat en getelefoneerd. Toen was het twaalf uur, etenstijd. Iedereen ging weg om te pauzeren. Verwonderd keken de vrienden elkaar aan en besloten toen maar om ook maar vlug weg te gaan. Ze wandelden naar het volgende dorp en stapten op de trein. Zonder problemen kwamen ze in Parijs.

Parijs

Parijs beschouwden ze als een bekende stad. Harry Fyen en Leo waren al eens in Parijs geweest, in 1935, met het kinderkerkkoor. Het zangonderwijs in Horn gebeurde volgens de methode Ward en om het succes van deze methode te demonstreren werden ze in Parijs uitgenodigd. Ze logeerden toen in een weeshuis met nonnen en ze herinnerden zich de indrukwekkende vliegkappen die de nonnen droegen en de naam van een vriendelijke Nederlandse pater die erbij hoorde, Meufels heette hij. Het adres van het weeshuis hadden ze bij zich. Ze klopten aan de deur, vroegen naar de pater en werden binnen gelaten. Pater Meufels was er nog en toen hij zich bij hen voegde, vertelden zij hem hun vluchtverhaal. Ze mochten blijven. Hij begreep het en leefde mee; hij gaf hun het adres van een priester in Nevers, die hen zeker verder zou kunnen helpen. Het enige dat herinnert aan het korte verblijf in Parijs is een minuscuul bonnetje met de tekst: “Bon pour une soup a l’Association des Etudiants et Artistes Parisiens.”

Nevers en verder

De vrienden reisden 20 mei naar Nevers, een stadje in het midden van Frankrijk, waar zich de schrijn van de heilige Bernadette van Lourdes bevond. Pater Meufels drukte hen op het hart dat zij die zeker moesten bezoeken; en dat deden ze. Leo kocht devoot een ansichtkaart van de schrijn. Hij heeft de kaart nog.
Frankrijk was een gedeeld land. 25 km beneden Nevers lag de demarcatielijn, een grens tussen het bezette en het zogenaamde vrije Frankrijk, waar een zekere maarschalk Pétain, een vazal van de Duitsers, de dienst uitmaakte. Het bleef oppassen!
Ze namen de trein naar St. Pierre le Moutier, een klein dorp dat dichtbij de demarcatielijn lag. Ze kozen ervoor om door een uitgestrekt vrijwel onbewoond bosgebied de demarcatielijn over te steken. Ze gingen op weg en kwamen gelukkig niemand tegen, behalve enkele mannen die houtskool stookten. Laat in de middag zagen ze een boerderij. “Waar waren ze? Waar was de demarcatielijn?” Ze hadden geen idee.
Een vrouw kwam vanuit de boerderij zenuwachtig op hen aflopen en gebaarde hen waar ze naartoe moesten lopen. “Vite! Vite!”
De Duitse patrouille was net gepasseerd en ze gebaarde dat die elk moment terug zou kunnen komen. De vrienden waren allen atletische jongens die hard konden lopen en zeker geen aansporing nodig hadden. Weldra zagen ze de prikkeldraadversperring. Toen ze over de versperring klommen, hoorden ze twee Duitse soldaten schreeuwen. Ze waren ontdekt. Rennen! Ze maakten dat ze wegkwamen. Toen ze uit het zicht waren, vielen ze in elkaars armen. Het was gelukt! Ze waren de grens over.

Gearresteerd

Wat was gelukt? In het eerst volgende dorp werden ze gearresteerd door de plaatselijke gendarmerie. De volgende dag werden ze overgebracht naar het ‘Maison d‘ Arret’ in Montlucon. Hoe verder?
Ze schreven een brief aan het ‘Office Néerlandais” in Vichy, een gecamoufleerde voortzetting van het vroegere Nederlandse consulaat, waar een zekere Dr. Ir. Sevenster de centrale figuur was. Sevenster was van oorsprong landbouwkundig ingenieur en in 1939 tot consul-generaal benoemd. Toen ze een week later werden voorgeleid, bleek hij tijdens de rechtszitting aanwezig te zijn. Dat gaf vertrouwen.
Paul, Jan en Harry werden veroordeeld tot 3 weken cel, met aftrek van voorarrest.
Zij moesten dus nog twee weken in het gevang blijven.
Leo werd vrijgelaten omdat hij nog geen 18 was.
Hij kreeg wel de opdracht zich ogenblikkelijk te melden bij het ‘Office Néerlandais’ in Toulouse, teneinde te worden toegelaten tot het “Centre d’Acceuil des refugiés Néerlandais”, een opvangcentrum voor Nederlanders. Veertien dagen later kwamen ook zijn vrienden daar.
Die vertelden opgetogen dat zij waren uitgezwaaid door de vier dochters van  Dr. Ir. Sevenster.

Lafourguette

In het opvangcentrum Lafourguette even buiten Toulouse, waren zij een van de eerste Engelandvaarders. Er zouden nog velen volgen.
Het opvanghuis was een groot, oud buitenhuis met een parkachtige tuin van ca. 1 ha.
Het bood op dat ogenblik onderdak aan een groot aantal Joodse families, die uit Antwerpen kwamen en een Nederlandse nationaliteit hadden. Voedsel was een groot probleem in het centrum. In de loop van 1941 werden nachtelijke strooptochten georganiseerd om de voedselsituatie te verbeteren. Het hielp maar ten dele.
In de loop van het jaar werden Jan en Harry overgeplaatst, Harry naar een houthakkerskamp aan de voet van de Pyreneeën en Jan naar een kamp in de buurt van Narbonne.
Paul kon blijven; hij werkte bij het Office Néerlandais in Toulouse.
En Leo bleef ook want hij was nog jong.
Men mocht Frankrijk legaal vertrekken als men een uitreisvisum kreeg, en dat hing af of men een doorreisvisum door Spanje en Portugal kreeg. Het Duitsgezinde Spanje was zeer karig in het afgeven van doorreisvisa. De tijd verstreek en de oorlog duurde voort.
Jan besloot begin 1942 maar naar Nederland terug te keren. Thuisgekomen werd hij ogenblikkelijk gearresteerd. Hij werd naar Maastricht gebracht, verhoord, kwam weer vrij en dook meteen onder. Hij werd actief in het verzet.
Harry besloot eveneens naar Nederland  terug te reizen om geld te halen. Hij werd onderweg in Parijs gearresteerd, maar wist weer te ontsnappen en dook eveneens in Nederland onder.

Naar Zwitserland

Paul en Leo moesten hun weg vervolgen zonder hun beide vrienden. Zij besloten nu om via Zwitserland naar Engeland te reizen. De weg over Spanje duurde te lang. Bovendien hadden ze gehoord dat de opvangkampen in Zwitserland beter waren dan in Zuid-Frankrijk. Ze reisden naar Annecy, waar ze opgewacht werden door de gendarmerie. Een teleurstelling: ze hadden geen geldige papieren. Ze konden vrij komen als ze zouden tekenen voor het Franse vreemdelingenlegioen. Ze aarzelden, maar ze besloten toch na enig aarzelen niet te tekenen en het proces af te wachten. Ze kregen 40 dagen gevangenschap opgelegd. Op 26 Mei 1942 werden ze uit de gevangenis ontslagen en op transport naar Toulouse gesteld.

Van Toulouse naar Curaçao

Terug in Toulouse. Ineens werd het voor Nederlanders mogelijk om doorreisvisa te verkrijgen naar Curaçao, dat was immers Nederlands grondgebied. De Zweedse ambassade, die de belangen van de Nederlanders behartigde, zorgde voor de geldige papieren. Paul en Leo kregen toestemming om via Bilbao naar Curaçao te reizen. Paul vertrok 2 juli en Leo volgde drie weken later. Ze reisden van Barcelona naar Bilbao met de trein en gingen 28 juli aan boord van de ‘Cabo de Hornos’. Het schip was helemaal wit geschilderd ten teken dat het ‘neutraal’ was. Souvenirs die bewaard zijn gebleven, zijn o.m. het treinkaartje Barcelona-Bilbao en een ansichtkaart van de boot. Na een oponthoud in Port of Spain (Trinidad) en Puerta Cabello (Venezuela) kwamen de beide vrienden 25 augustus in Willemstad (Curaçao) aan en vierden er 31 augustus Koninginnedag in de sociëteit ‘Asiento’.

Via New York naar Canada

Met de ‘Saluta’, een oud schip, waarvan de motoren regelmatig uitvielen, voeren ze naar New York. Ze maakten een sightseeing tour door de stad en bezochten ‘Radio City’ en vervolgens reisden ze met de trein naar Stratford (Ontario), Canada. In Stratford was een rekruteringscentrum voor het Nederlandse leger. Hier leerden ze Bep van Klaveren kennen, een bekende bokser uit Rotterdam, die hen ’s avonds boksles gaf. De opleiding duurde zes weken. Leo kocht van zijn eerst verdiende soldij ijshockeyschaatsen voor 8 dollar.

Naar Engeland

Met de Queen Elisabeth voer Leo naar Engeland. De precieze datum herinnert hij zich niet meer. Wel dat de overtocht vier dagen duurde. In Engeland werd hij ondergebracht bij de Prinses Irene Brigade in Wrottesley Park in de buurt van Wolverhampton. Het was winter. Het landschap was somber.
Niemand uit zijn groep was blij dat zij bij de Prinses Irene Brigade werden gevoegd. De Prinses Irene Brigade had geen goede naam en het was dus zaak om zo snel mogelijk in Londen te komen om te zien of daar  wat te regelen was. En zo kwam Leo in Londen. Het werd een boeiende, chaotische periode. Het belangrijkst was wel dat hij voor een theevisite met Koningin Wilhelmina werd uitgenodigd – en hij werd medisch gekeurd voor de RAF. Op 12 mei 1943 tekende Leo zijn verbandacte bij het Bureau Luchtvaart en op 15 mei werd hij gedetacheerd bij de  RAF.
Wie zou niet bij zo’n wapen willen dienen?
Met zeven andere Nederlanders werd hij 15 maart gedetacheerd bij de RAF Volunteer Reserve.
Hij kwam in de opleiding voor een vliegende functie: piloot, navigator of bombaimer. Zijn rang werd AC-2 – dat is aircraft second class – en hij kreeg een witte badge op zijn muts om aan te geven dat hij in opleiding was. De kosten van de opleiding werden geregeld op basis van een overeenkomst tussen het Nederlands ministerie van defensie en het Air Ministry. Het was een goede opleiding, waar o.m. geleerd werd dat Den Haag de hoofdstad van Nederland was.
De school selecteerde op geschiktheid, maar de definitieve keuze werd pas gemaakt op basis van de praktische resultaten in de lesvliegtuigen. Het werden voor Leo spannende weken.
Zijn beoordeling luidde: ‘should make a pilot’. Wat betekende dat? Hij werd geselecteerd.

September 1943 – terug naar Canada

Oktober – november 1943 Dewinter – provincie Alberta. Hij volgde een cursus op de ‘Elementary Flying Traning School. Het lesvliegtuig was een Fairchild PT – 19 Cornell.
Bij de vliegtest maakte hij één foutje. Jammer, want anders had hij de kwalificatie ‘exceptional’  gekregen, nu werd het ‘above average’. Niettemin behoorde Leo tot de besten van de klas.

December 1943 – april 1944 Medicine Hat, 300 km, van Calgary, 100 km. boven de grens met de V.S. Ze vlogen in eenmotorige North-American Harvard IIB, hetgeen betekende dat je op weg was om ‘jachtvlieger’  te worden. Mooier kon het niet. In april werden de laatste vliegtesten afgenomen, 21 april kreeg Leo zijn militair vliegbrevet, zijn wings. Hij werd vervolgens benoemd tot tweede luitenant-vlieger van de Militaire Luchtvaart. In deze periode kreeg hij een uitnodiging om Prinses Juliana te bezoeken.

Mei-september 1944

Met een van de Queens – een oceaanschip – maakte hij de overtocht naar Engeland – voor de volgende training – het opdoen van ervaring in andere weersomstandigheden. In oktober 1944 werd hij overgeplaatst naar No. 5 A.F.U. in Ternhill (Shropshire). Op een rustige najaarsmiddag gebeurde het. De meesten van zijn collega’s waren al gaan lunchen in de ‘mess’, toen zijn instructeur hem meenam naar een van de Spitfires op het platform. Hij controleerde of Leo zijn ‘cockpit drill’  kende en zei toen: “Probeer het eens.”
“Het stuurde allemaal zo fantastisch licht en soepel, dat ik niet de verleiding kon weerstaan enkele ‘rolls’ te maken.” Na een voorzichtige ‘ approach’ taxiede hij terug naar de ‘tarmac’.
Zijn was al gaan lunchen en dat deed hij dus ook maar. Met een overweldigend gevoel: Hij had voor het eerst van zijn leven een heuse Spitfire gevlogen.

Een heel bijzonder verlof

In de bar van “Brevet Flying Club’ in Londen ontmoette hij een Engelse RAF-vlieger, die terloops opmerkte dat hij over twee dagen naar Gilze-Rijen zou vliegen. Nadat Leo verteld had dat hij uit Horn kwam, mocht hij wel mee. Van Gilze-Rijen liftte hij naar Eindhoven. De stad was twee maanden geleden bevrijd was en lag er nog steeds chaotisch bij.
De volgende dag liftte hij naar Weert. Omdat hij met verlof was, was hij gekleed in het beste model uniform dat hij had, met lage zwarte schoenen en met een grijsblauwe overjas, die hij had laten maken bij Jones, Chalk & Dawson in Sacksevillestreet. In deze kleren was hij een opvallende verschijning in het slordige wereldje van jeeps en soldaten in gevechtskleding.
Hij kreeg een lift in een kleine camion, de chauffeur vond het wel interessant om met hem tot in Horn te rijden.
Hij stopte bij een groot camouflagenet op de rijksweg en zei: “Verder ga ik niet. Good luck!”
Leo wist waar hij was en snelde over de Daalakker, waar toen alleen het huis van Feyen nog stond. Er werd nog altijd gevochten. Er vielen granaten. Bij Ververs ging hij achterom, kroop door het gat in de heg en hij was thuis. “Het is Lei”, riep iemand en iedereen kwam uit de kelder naar boven. José zei: “En dat nog wel op mijn verjaardag.” Het was 28 november. Ze omhelsden elkaar toen er vlakbij een granaat insloeg. Iedereen dook de kelder weer in. Hij is toen drie dagen gebleven. Hij sliep tussen zijn vader en moeder in. Verder was de kelder vol met familie en buren. Iedereen was vrolijk en opgewekt. De oorlog zou voorbij gaan. Er werd veel gelachen en gebeden.
De oorlog duurde nog even. Nog tot in maart zou Horn in de frontlijn blijven liggen.
Leo moest terug. De terugweg verliep vlotter dan de heenweg. Diezelfde middag dat hij uit Horn naar Gilze-Rijen was vertrokken, stond er een Dakota van een Amerikaans squadron klaar en toen hij de situatie uitlegde, kreeg hij meteen toestemming om naar Engeland mee te vliegen. In Engeland werd hij meegenomen naar de security officer, iets waarop hij niet gerekend had. Hij vertelde het verhaal, maar kon zich verder de naam van de piloot die hem had meegenomen, niet meer herinneren. De security officer zei dat zij het wel begreep en informeerde belangstellend naar de situatie van zijn familie.

December 1944 – maart 1945
No 34. O.T.U – Kirton in Lindsey (Lincolnshire)

De laatste fase van de opleiding tot jachtvlieger vond plaats in een Operational Training Unit.
De Spitfire is ongetwijfeld de meest bekende jager van de R.A.F. Zijn faam was vooral ontstaan tijdens de ‘Battle of Britain,  toen Engeland mede dankzij deze toestellen het luchtoverwicht had behouden. Eind 1944 waren de enkele Spitfires die Engeland had, uitgegroeid tot een flink aantal. De R.A.F.  beheerste het luchtruim. De toestellen waren in de loop van de tijd verbeterd. Er werden in totaal ruim 20.000 toestellen, in telkens vernieuwde uitvoeringen, geproduceerd.

Maart 1945
2 nd T.A.F. – 84 GSU – Lasham

Lang duurde het verblijf in Lasham niet en in de week van 18 – 24 maart werd Leo overgeplaatst naar het 322 squadron, dat toen opereerde vanaf een ‘airstrip’  in de buurt van Schijndel. 322 (Dutch) Squadron was op 12 juni 1943 opgericht. Aanvankelijk waren slechts 8 van de 25 vliegers Nederlands, maar geleidelijk aan groeide het uit tot een bijna volledig Nederlandse RAF – squadron.

Neergeschoten 1 april 1945

De eerste opdracht die hij kreeg, was het overvliegen van een beschadigde Spitfire naar een maintenance unit in de buurt van Kortrijk.
De volgende dag vloog hij terug in een Anson, achterin zittend op een hoop bagage.
Zondag 25 maart deed hij zijn eerste oriëntatievlucht rond het vliegveld.
Hij kreeg toestemming om zijn oriëntatievlucht uit te breiden naar Horn.
Hij vloog enkele malen over het dorp, tussen de twee torens van de kerk en het kasteel. De hoogmis was net afgelopen en hij had dus veel bekijks.

1 april 1945 – Paaszondag – werd hij neergeschoten. Hij vloog als no. 2 met ‘Peuter’ Janssen als nummer 1. Peuter Janssen werd beschouwd als een van beste en meest ervaren vliegers van het squadron. Ze vlogen onder de laaghangende bewolking in ‘battle formation’, toen hij reeksen lichtspoor ammunitie op zich af zag komen. Meteen volgde een  harde dreun onder zijn toestel. Zijn motor verloor vermogen. Over de radio riep hij zijn no. 1 op.
“Ik herinner mij dat ik zo zenuwachtig was en zei: “Hello Jackknife yellow 2 –  I have been hit.”
Leo: “Ik begon aan een noodlanding, maar probeerde eerst mijn extra benzinetank onder de romp af te gooien. Ik maakte mijn riemen wat losser en rukte uit alle macht aan de hendel, maar het lukte niet. Dan maar landen met de tank en ik trok mijn riemen zo strak mogelijk aan. Rechts van mij lag een open vrije ruimte en ik maakte een bocht met mijn voetenstuur, omdat de aileron-besturing niet meer werkte.
Het uitkomen van de bocht met voetenstuur ging natuurlijk erg traag en lukte ook niet helemaal, voordat ik met  een geweldige klap tegen de grond vloog.
Half versuft hoorde ik het lawaai van de motor van mijn no. 1 die vaak over mij heen vloog.
Ik realiseerde mij dat ik nog leefde, wist dat het vliegtuig in brand stond, maar voelde absoluut geen pijn. Wel een alles overheersend gevoel van mislukking: al die jaren van training en ik was nauwelijks begonnen of het was al afgelopen.
Toen ik uit het brandende vliegtuig klom, met mijn parachute nog om, zag ik in de verte een boerderij met enkele mensen, die naar mij toe kwamen, ik zei: “niet te dicht bij het vliegtuig blijven, want de ammunitie kan ontploffen.”
Zij waren stomverbaasd dat ik Nederlands sprak.
Peuter Janssen, die zo moedig over hem heen scheerde, werd ook vol getroffen.
Hij wist zich echter in een greppel te verstoppen en ontkwam aan krijgsgevangenschap. Hij stierf later bij een gevechtsactie in Indië.

Eind 1946 kreeg ik een brief van een ooggetuige, waarbij ik het volgende citeer:

“Nooit zal ik die bewuste Paaszondag vergeten.
Wij zagen twee jagers de richting van het Twentekanaal af komen, laag vliegende.
Ongeveer boven het huis trok de één wat op, doch de andere begon te cirkelen, als voor een noodlanding.
Dit werd een catastrophe en in minder dan geen tijd stond het toestel in lichterlaaie.
Met knikkende knieën zag ik het aan en wat er in mij omging, toen zich uit die vuurzee een menschelijke gedaante losmaakte, is niet te beschrijven.
Onderwijl ik naar de andere hoek van het huis liep, was mijn man al op u toegesneld
en bracht u, na wat riemen los gemaakt te hebben, met een buurmeisje naar binnen.
We legden u op een ruststoel in het achterhuis.
Nooit zal ik vergeten, dat verschroeide haar en wenkbrauwen.
Het gezicht leek één grote blaar, alsof daar de vlam was langs geslagen.
Al spoedig was een patrouille moffen aanwezig, die de eerste formaliteiten vervulden.
Toen ze uw been verbonden, vroeg u nog de broek niet vernielen, omdat u bij een mogelijke internering geen andere kleren had.
Ze behandelden u redelijk en onze neven brachten u toen met stoel en al in de kamer,
omdat de publieke belangstelling steeds groeide.
U kreeg twee bewakers toegewezen, die ook maar liever naar huis wilden als verder oorlog (te voeren).
‘t Was inmiddels koffietijd geworden en allen werden voorzien van koffie met wit  brood, in die dagen ook zeldzaam.
U had het zwaar te verantwoorden en uw gezicht was erg gezwollen.
Wij haalden voor verfrissing een fleschje vruchten voor u en juist toen mijn dochter bezig was u hier wat van te voeren, komt er zoo’n vent van de veldgendarmerie binnen.
“Was ist das hier für ’n Theater, Marmelade und Kaffee und Kuchen.“
En toen tegen u: “Sie müssen abmarschieren“
Een der bewakers kwam daar tegen op.
Hij vertelde dat u gewond was, enz., waarop de bullebak uw broek verder stuk trok om zich te overtuigen.
Dit maakte de bewaker zoo woedend, dat hij zei: “Alles ist in Ordnung: Sie verstören die Ruhe und Sie machen ein Wind,”  waarop de vent zo nijdig werd dat hij het persoonsbewijs vroeg van de brutale ….. Deze weigerde, waarop hij met de bullebak mee moest en er wel meer van zou horen.
Intusschen schoot de dag al aardig op en nog steeds was er geen vervoersmogelijkheid.
Ver in de middag kreeg de buurman opdracht u weg te brengen. Met stoel en al op een boerenwagen.
Och, och, wat een droeve stoet.
Inmiddels hield u maar vol dat ’t wel in orde kwam en dat het zoo erg niet was.
De boer bleef weg, met wagen en paard. Ook de fiets van mijn zwager, waarop de buurman om de dokter ging, is nooit terecht gekomen. Dit waren evenwel dingen van ondergeschikt belang, toen de dag daarop de Canadeezen al arriveerden.
Het hele stel moffen wat ’s Zondags om het huis liep, zagen wij die Maandag met de handen in de hoogte zich overgeven.
Een boek vol zou ik kunnen schrijven over die tijd van evacuatie en verschrikking.”
Einde citaat.

Tijdens de rit met paard en wagen voelde ik mij niet erg gerust. Boerenkarren waren geen voorkeursdoelen van de geallieerden, maar er zaten tenslotte wel een paar Duitsers op. Na enige tijd, het werd al donker, kwamen we bij een kruispunt, waar ik werd overgeladen in een militair voertuig en kort daarna afgeleverd in het ziekenhuis van Zutphen. ’s Nachts had ik veel pijn en ik vroeg een Duitse verpleger om een Spritze. De volgende dag werd ik weer vervoerd, per trein, en kwam ik terecht in een Kriegslazarett in Apeldoorn.

Lazarett Apeldoorn

Het was nog oorlog. In Apeldoorn waren de Duitsers de baas. Toen, 13 april, de eerste Canadees, zorgvuldig om zich heen kijkend, het ziekenhuis binnen slenterde, zagen we gespannen toe. Wat ging er gebeuren? Eén van de Engelsen rukte toen het portret van Hitler van de muur en vertrapte het voor de ogen van de Duitsers. Iedereen hield de adem in. Pas toen een groot aantal Canadezen het ziekenhuis binnenstroomden, durfden we het te geloven dat we bevrijd waren.
Het ging snel. De Duitsers gaven zich 5 mei over, drie dagen later volgde de capitulatie van heel Duitsland. Iedereen leefde in een roes. De zorg in het lazaret ging wel achteruit. Het verband om mijn knie werd niet tijdig verwisseld en toen het wel gebeurde, bleek de wond flink ontstoken te zijn. Het deerde me niet.

Nijmegen

Twee weken later werd ik naar het No.1 Canadian Hospital in Nijmegen overgebracht en niet veel later overgevlogen naar een ziekenhuis te Cosford, Engeland. Van hieruit schrijft hij 20 mei een brief naar huis. Het begin:

“Lieve allemaal,
Deze keer een brief, want ik heb gisteren gehoord dat ’t nu mogelijk is om ook brieven te schrijven. Hoe maken jullie ’t allemaal thuis? Ik ben toch zo benieuwd en heb niets meer gehoord sinds die kaart van 29 Maart. En er is natuurlijk ’n heleboel gebeurd intussen.
Met mij gaat ’t heel goed!!
M’n wonden zijn allemaal dicht en m’n gezicht is nu zelfs zó goed geheeld dat je praktisch niets meer kunt zien…..”

Een brief

Hij kreeg een brief. Marinus van de Brink schreef hem. Hoe had Leo het in zijn hoofd gehaald om een lugubere 1-aprilgrap uit te halen en ergens in het Oosten van Nederland neer te storten? Het was zijn laatste brief. 8 mei kwam hij zelf om het leven.
“Ja, ik heb kameraden verloren. Je wist dat dat erbij hoorde. Iedereen kende wel mensen die er niet meer waren. Je kon er niet bij stil staan. Niemand kon dat in die tijd, of je nu in het leger zat of niet. Ook de mensen in Horn maakten veel mee. De buren verloren met één granaatinslag oma, moeder, kind. Teddy van der Zee vloog in een Spitfire bij nacht. Eigenlijk is de Spitfire geen nachtvlieger. In de duisternis zie je links en rechts de vonkenregens van twee rijen uitlaten. Als je je daarop fixeert, zie je niets meer. Teddy riep door de radio dat hij niets meer zag. Het waren zijn laatste woorden. Hij vloog recht de grond in. We hadden geen trauma. Er was maar één werkelijkheid en die gebood ons door te gaan. Ik denk dat een oorlogstrauma vooral ontstaat wanneer je leeft in twee werelden, die van de oorlog en die van de vrede.”

Juni 1945 – februari 1946

Leo meldde zich na zijn revalidatieperiode bij 84 GSU Lasham. Hij wilde weer een Spitfire vliegen. Het lukte hem na veel aandringen. Eigenlijk had hij eerst een medische keuring moeten ondergaan. Zijn rechterarm kon hij nog niet volledig bewegen, maar hij wilde voor zichzelf bewijzen dat hij ondanks dat weer kon vliegen.
In september werd Leo overgeplaatst naar de Medical Rehabilitation Unit (MRU) in Loughborough. Kort daarna werd hij opgenomen in No. 5 MRU Mongewell Park in Wallingford, een schitterend landhuis in een fraai park aan de Theems. Ze werden ingedeeld in klassen en Leo kwam in de ‘early-shoulder class’. Het was een goede tijd. Het eten was goed en zij speelden schaak of zaten in de ‘library’. Er werd stevig gedronken. Een van de kameraden, die wat typisch liep omdat hij zich met de voeten niet kon afzetten, wilde als hij wat gedronken had, een optocht door het park organiseren naar een kapelletje op het terrein. Hij liep dan voorop en de anderen volgden en zongen luidkeels:
“Onward Christian soldiers, marching as to war.
With the cross of Jesus going on before.’
29 januari 1946 werd Leo medisch goedgekeurd.

Hoe ging het verder?

Het Nederlandse squadron 322 – met de papagaai als mascotte en met het motto ‘ niet praten, maar doen’ – was in 1945 ontbonden. Leo kwam nu in dienst van de Nederlandse luchtmacht.
In de zomer van 1946 vloog hij met lichte voertuigen over Nederland. Hij verspreidde post en bracht bijzondere personen naar hun bestemming. In juni bracht hij iemand naar Venlo en op de terugweg zou hij iemand van Eindhoven weer naar Valkenburg (bij Den Haag) brengen. In Venlo – hij had nog wat tijd – reisde hij naar Horn, zei tegen zijn ouders: “Wie wil van Venlo naar Eindhoven vliegen?
Je moet direct beslissen.”
Zijn vader aarzelde, maar zijn moeder was direct enthousiast.
Diezelfde dag maakte zijn moeder haar eerste vlucht.
Een ander belangrijke vlucht was toen hij minister Gielen van Onderwijs van Groningen naar Woensdrecht moest brengen.
Leo had zijn gymnasium niet afgemaakt en net een verzoek ingediend om toch het diploma te verkrijgen. Onderweg schoof hij zijn verzoek minister Gielen toe. Praten kon niet in verband met het lawaai in het vliegtuig. Minister Gielen begreep zijn vraag en zei dat hij eens zou bekijken wat hij kon doen. En zo kreeg Leo zijn gymnasiumdiploma.

Nederlands-Indië

Leo had een driejarig contract bij de luchtmacht. Op vliegveld Twente werden de eerste Spitfires gestationeerd die Nederland na de oorlog aankocht. Hier werd ook het eerste squadron gevormd dat naar Indië zou gaan. Leo ging ook mee naar Indië. Op een reünie onlangs in Soesterberg zei iemand tegen hem: ‘Het was toch wel leuk in onze officiersmess in Tjandi!”
Zijn huidige levenspartner, Henny Schouten-Portier, springt op als hij zijn verhaal vertelt en zegt: “Daar woonde ik toen!” Het leven van Henny Schouten-Portier is beschreven in het boek ‘Ik heb haar Judy genoemd” dat in 2020 is uitgegeven door Uitgeverij Gopher, ISBN 9789493172647. NUR 337. Leo was actief bij het schrijven van dit boek en wordt door Henny meermalen genoemd.

Wageningen

In 1948 begon Leo zijn studie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Hij zegt nu over deze stap: “ik had wat rust nodig. Ik merkte ook toen ik begon te studeren, dat ik vele leemtes in mijn kennis had. Ik was blij dat ik mijn ‘propjes’ haalde. Met de ontgroeningrituelen van de studenten heb ik niet meegedaan. Ik voelde het leeftijdsverschil. Wel heb ik me aangesloten bij de Katholieke Studenten Vereniging Franciscus Xaverius Wageningen.
Mettertijd begon ik ook weer te vliegen. Mensen die al uit militaire dienst waren, kregen de mogelijkheid om vier dagen in de maand te vliegen. Inmiddels was ik zo ver dat ik deze vliegerij met mijn studie kon combineren. Ik vloog weer Spitfires. Later kwamen de eerste straaljagers, de Gloucester Meteors. In 1951 volgde ik nog een cursus van drie maanden om deze toestellen te leren vliegen. De Meteors zijn prachtige toestellen, die zo hoog vliegen dat je Nederland in één blik kunt overzien. Tot 1955 ben ik blijven vliegen. Ik kreeg ervoor betaald en was dus een rijke student. Maar studeren deed ik ook. Ik studeerde af – januari 1955 -in landbouweconomie.

Heineken

Hij begon met het besproeien van landbouwgewassen bij Mastboom Vliegbedrijf BV.”
In januari 1957 echter kwam hij in dienst bij Heineken. In Horn was een bierbrouwerij. Op het gymnasium had hij al eens een spreekbeurt gehouden over bier, de wonderlijke drank die de dorst lest, hij hield van bier. Met zijn kennis uit Wageningen – een studie over de biermarkt – konden ze hem bij Heineken wel gebruiken. Hij volgde de interne opleiding tot brouwer en werd een jaar later assistent-bedrijfsleider in Den Bosch.
In 1963 werd hij Brouwmeester bij de Dreher Brouwerij in Triëste, Italië. Drie jaar later keerde hij terug naar de brouwerij in Den Bosch, als Algemeen Productieleider.
Het biergebruik in Nederland steeg sterk en de capaciteit van de brouwerij moest als gevolg daarvan snel worden uitgebreid. In dat kader maakte hij in 1970 een reis over de wereld om kennis te nemen van de nieuwste ontwikkelen op het gebied van het bierbrouwen. In Japan was men in die tijd overgegaan op verticale opslagtanks in plaats van de in Europa gebruikelijke horizontale tanks. De nieuwe brouwerij in Den Bosch besloot een aantal proeftanks te installeren die de naam ‘Apollo’s’ kregen. Het was in de periode van de eerste maanlanding.
In 1972 werd hij Hoofd van de Centrale Bouwtechnische Dienst van Heineken Technisch Beheer. In deze functie bezocht hij vele vestigingen van Heineken in het buitenland, met name Sierra Leone en Nigeria.
Zijn volgende functie, Technical Manager Europa: Noorwegen, Zweden, Italië, Frankrijk, Joegoslavië, Griekenland, noem de landen maar op.
Hij reisde veel en reizen is wachten. Hij had volgens eigen zeggen een zee van tijd om allerlei boeken te lezen. Hij las alle Maigrets in het Frans, om daarmee ook nog iets nuttigs te doen en de Franse taal beter te leren spreken.
Toen de Italiaanse Brouwerijgroep in moeilijkheden kwam, werd veel aandacht aan Italië besteed. Dit leidde uiteindelijk tot de overname van de groep Dreher door Heineken. En zijn volgende functie werd Direttore Technico in Milaan. Men zag hem graag komen gezien zijn vroegere werkzaamheden in Triëste.
In 1980 werd zijn dochter ziek en toen realiseerde hij zich dat hij toch wel ver van Nederland woonde. Hij vroeg overplaatsing en werd Directeur van de Heineken Mouterij in België. Hij reorganiseerde het bedrijf en maakte het tot het grootste in Europa. De Mouterij ligt aan het kanaal tussen Brussel en Antwerpen en er is nog een mooie foto, dat Koning Boudewijn de Mouterij bezocht. “Kunnen wij even gaan zitten, want ik heb last van mijn rug”, zei de vorst.
In 1985, zo dacht hij, houd ik ermee op. Maar ja, dat werd een vrome wens die niet in vervulling ging. Heineken had nog iemand nodig voor een nieuwe activiteit in Argentinië.
Hij vond het een heel boeiend land, hoewel de werkomstandigheden niet gemakkelijk waren. De naweeën van het kolonelsbewind, dat in 1982 ten val kwam, waren nog steeds voelbaar.
In november 1987 beëindigde hij na ruim 30 jaar zijn werk bij Heineken.

Categorie: 1940, 1941, 1942, 1943, 1944, 1945 |

Evacuatie en terugkeer


Professor dr. ir. Anne van den Ban (1928) was 16 toen Wageningen in 1944 voor de tweede maal werd geëvacueerd. In een terugblik op de oorlogsjaren worden een aantal jeugdherinneringen opgehaald en verteld hij over de tweede evacuatie van Wageningen.
De familie van den Ban vond toen huisvesting in een boerderij in de omgeving van Lunteren. Op deze boerderij vonden uiteindelijk 22 mensen onderdak  in de boerderij en een aantal kippenhokken.
Aanvankelijk dacht men dat de evacuatie een paar weken zou duren, uiteindelijk kon men pas na 8 maanden weer terug naar Wageningen. Na terugkeer bleek een groot deel van Wageningen verwoest: “Men heeft mij gezegd, er waren 8 huizen waar geen schade aan was, maar ik heb geen van die huizen kunnen vinden. Bij ons viel de schade nog wel mee een groot deel van de ruiten waren eruit, een van de dingen was dat we erkers hadden met een plat dak van zink en daar waren bomscherven doorgegaan dus dat lekte en daar moest wat aan gedaan worden”.
Ook het botenhuis van Argo was verwoest. Eerst door granaattreffers van de geallieerden die de boten in de haven tot zinken wilden brengen. Later werd hout van het botenhuis gebruikt voor de versterking van Duitse loopgraven in de zomerdijk. Na de oorlog werd het botenhuis opnieuw opgebouwd.

Jan van den Ban (1926), emeritus hoogleraar Cultuurtechniek, is de twee jaar oudere broer van Anne van den Ban. Hij zette zijn herinneringen aan de oorlog op papier.

De ondergrondse in Lunteren

De familie Steenbeek waar de familie van den Ban de winter van ’44 – ’45 doorbracht, was actief in het verzet. De Wageningse evacués werden hier niet in betrokken, maar hoorden later de verklaring voor onder andere een explosie in het kippenhok van de buren.

Lees verder »

Na de bevrijding

In 1944 trad Jan van den Ban toe tot de Binnenlandse Strijdkrachten, een bundeling van verzetsgroepen.

Lees verder »

Commandant Harry

Na enkele omzwervingen via Veenendaal in 1944 kwamen wij terecht op de Driesprong in Ede. Op de Deelweg konden wij beschikken over een kippenschuur.
In april 1945 kwamen de bevrijders over de heide en trokken noordelijke richting.
In april 1945 maakten amerikanen stellingen om rugdekking te geven aan de militairen die over de heide kwamen.
Bij de familie Brouwer aan de Deelweg werd een hoofdkwartier gevestigd.
Ik was toen 14 jaar en ging vaak met commandant Harry met de jeep mee om de diverse stellingen te controleren.
Op een dag toen we terug kwamen werden we door een aantal Duitsers, die zich verscholen hadden langs de Wekeromse weg beschoten.
Harry trok mij van de bijrijdersstoel naar achteren in de jeep en riep down.
Een hevig vuurgevecht volgde, ik lag weggedoken in de jeep. Toen het vuren ophield durfde ik niet meer tevoorschijn te komen.
Toen hoorde ik mijn moeder roepen en durfde ik de jeep uit te komen.
Harry is bij dit gevecht omgekomen. De Duitsers langs de Wekeromseweg zijn ook allemaal doodgeschoten.
Harry heeft mijn leven gered daar ben ik hem zeer dankbaar voor.

Chris van Aggelen

Categorie: 1944, 1945, Haven | Trefwoorden: , , | Reageer »

Voedselopslag Nude / operatie Faust

Vlak voor de bevrijding werden in bevrijd gebied enorme hoeveelheden voorraden voor het westen aangelegd van biscuits, blikken vlees, vet, gecondenseerde melk, suiker en zout. Het wachten was op toestemming om het voedsel te verdelen in bezet gebied.

Op 1 mei konden de voedseltransporten formeel beginnen. Midden in de Nude ontmoette generaal Foulkes de Duitse generaal Reichelt en dr. Schwebel om de transporten verder te regelen. Vanaf mei, vonden de voedseltransporten over de weg naar het nog niet bevrijde westen van Nederland plaats:  Operatie “Faust”. Wageningen en Rhenen lagen in het niemandsland tussen Duits en geallieerd gebied. Onafzienbare stapels levensmiddelen ten behoeve van het uitgehongerde westen van ons land stonden langs de Nude opgestapeld.

Video over voedseltransport:

Bron / Lees verder op Grebbelinie in het vizier

Categorie: 1945, Nude |

Capitulatie

De officiële capitulatie besprekingen begonnen op zaterdagmorgen 5 mei om 11.00 uur in Hotel “De Wereld”. Dit eerste contact tussen luitenant-generaal Foulkes en de Duitse Chef-Staf Generaal Reichelt werd bijgewoond door de chef-staf brigade-generaal  Kitching, Prins Bernhard (als vertegenwoordiger van de Binnenlandse Strijdkrachten) en een tolk. Reichelt kreeg de opdracht om 16.00 uur met zijn superieur Generaal Blaskowitz terug te komen.

Op diezelfde middag om 16.00 uur kwamen beide partijen opnieuw bijeen in de gelagkamer van het zwaar beschadigde Hotel “De Wereld”, nu voor de definitieve ondertekening van de documenten door luitenant-generaal C. Foulkes (als bevelhebber van het 1ste Canadese legerkorps) en J. Blaskowitz (als commandant van het Duitse 25e Leger in de ‘Festung Holland’). Generaal Foulkes deelde hierbij mee, opdracht te hebben van veldmaarschalk Montgomery om Blaskowitz de capitulatie-voorwaarden voor alle Duitse strijdkrachten in noordwest-Europa voor te lezen.

In principe was de capitulatie een feit met een “Jawohl” van generaal Blaskowitz. De besprekingen over het concept van de capitulatie-overeenkomst maakten het echter nodig, dat een nieuw document moest worden samengesteld. Hiervoor was een schrijfmachine nodig, maar in de verwoeste stad bleek er geen voorradig. De ondertekening van het definitieve document had daardoor de volgende dag pas plaats in de Aula van de Landbouwhogeschool, naast Hotel De Wereld, op zondagmiddag 6 mei om 17.00 uur.

Filmbeelden van de onderhandelingen over de Duitse overgave (zonder geluid):

Gedenksteen l Bron / lees verder: Wagezine

 

Categorie: 1945, Hotel De Wereld | Trefwoorden: | Reageer »

Oorlogsherinneringen


Herinneringen aan de oorlog, door Bep Torkington-Kreszner, Brisbane (Australië)

Het paard van Hendriks, onze melkboer, heette Nellie, en waarschijnlijk begreep ze niets van alle drukte. Maar in oktober 1944 vervulde ze een hele belangrijke rol. Daarop kom ik later terug.

In april 1939 werd ik in Amersfoort geboren als enigste kind van Willem Frederik Hendrik Kreszner en Alberta Wilhelmina Kreszner-Brons. Van het wonen in Amersfoort weet ik maar weinig af, want in juli 1939 kreeg mijn vader een betrekking als chef-kok aan Studenten Sociëteit Ceres op de toenmalige Rijkstraatweg in Wageningen, dus kwamen we op de Brinkerweg in Wageningen te wonen.

In mei 1940 was ik één jaar oud toen we voor de eerste keer geëevacueerd werden, omdat de Duitsers het land binnengevallen waren en er hevig op de Grebbeberg werd gevochten. Daar heb ik natuurlijk ook geen persoonlijke herinneringen van, alleen mijn ouders hebben me later verteld dat alle inwoners van de stad naar de haven liepen en daar met Rijnaken stroomafwaarts gingen. Uiteindelijk kwam ons gezin in Zevenhuizen, vlakbij Gouda, terecht. Na een korte tijd konden we weer naar Wageningen terug. Deze keer werden we in vrachtwagens getransporteerd. Toen we over de Grebbeberg kwamen, lagen er lijken langs de weg.

De Landbouwhogeschool ging al vroeg in de oorlog dicht, dus ook Ceres. Mijn vader heeft geholpen met het wegbrengen en vernietigen van goederen die de Duitsers misschien wel goed van pas zouden komen. Gedurende de oorlogsjaren heeft mijn vader in verschillende zaken in de omgeving gewerkt, zoals in Hotel De Bilderberg in Oosterbeek en Rijnzicht in Renkum, dat toen een café-restaurant was.

Het leven voor iedereen was moeilijk. Voedsel was schaars en alles was op de bon. Er moesten van de Duitsers ’s avonds zwarte horren voor de ramen geplaatst worden, zodat de lichten niet gezien konden worden vanuit de lucht. Radar was er toen nog niet.

Een zuster van mijn vader, Tante Guus, was getrouwd met Josua Harpman, een Jood. Ze hadden geen kinderen, wat misschien maar gelukkig was. Ze woonden in Overveen bij Haarlem. Mijn vader heeft vele mensen, waaronder Joden, geholpen en op een dag hoorden wij dat de Duitsers van plan waren om hem te arresteren. Overhaast zijn we vertrokken uit Wageningen en waren drie maanden in Overveen, bij Tante Guus en Oom Jo, wat achteraf bekeken misschien als het hol van de leeuw beschouwd kan worden. Toen het voor de Joodse mensen steeds gevaarlijker begon te worden, verhuisden we van Overveen naar Wageningen, waar Oom Jo in een pakhuis ondergedoken zat en Tante Guus bij ons introk. Dat pakhuis was in de Kloostersteeg, die uitkwam op de Heerenstraat. Oom Jo was zakenman en verkocht allerlei dingen voor de horeca en voor banketbakkers.
Ze waren allebei dol op dieren en hadden katten, een hond, goudvissen, en een papagaai die een woordenschat had die beslist niet door de beugel kon. De dieren kwamen ook bij ons. Ik was misschien 3 of 4 jaar oud toen ik enige woorden herhaalde die papegaai Nico uitsprak. Moeder vond dat zo erg dat Nico weg moest. De volgende dag was hij verdwenen.
Op een kwade dag moest Oom Jo voor zaken naar Amsterdam. Hij ging met de bus naar Ede en toen op de trein. Van die reis is hij nooit teruggekomen, want in Amsterdam werd hij door iemand verraden. Hij is op 31 januari 1944 in Auschwitz omgekomen. Ik kan me nog de dag herinneren dat hij ’s morgens vertrok maar ’s avonds niet terugkwam.
Tante Guus was er natuurlijk heel erg overstuur van, en wij ook, want we mochten Oom Jo zeer graag en van Tante Guus heb ik ook veel gehouden. Ze is nog een hele tijd bij ons in huis geweest, maar wilde op zichzelf wonen en verhuisde naar Renkum. Gedurende de hongerwinter was zij in Friesland. In 1970 is ze nog bij ons in Australië op bezoek geweest.

Bij ons om de hoek in de Gravinnestraat woonde een gezin met drie kinderen, waar ik wel eens mee speelde. De vader was bij de brandweer in Wageningen. Op een zondag in september 1944 waren de drie kinderen op bezoek in de Sahara. Terwijl ze daar waren, vond het bombardement op de Sahara plaats, waarbij de drie kinderen zijn omgekomen. Andere kinderen hadden de ouders niet. Na de oorlog droeg de moeder altijd zwart.

Mijn vader besloot om een schuilkelder in onze achtertuin te graven. Ik kan me herinneren dat we daar ’s nachts in zaten en vliegtuigen over ons heen vlogen. Vader liep een hevige kou op en dat werd spoedig longontsteking, gevaarlijk voor iemand die al uitgehongerd en zwak was. Na een korte tijd werd hij opgenomen in een nood-ziekenhuis in Veenendaal, dus bleven mijn moeder en ik thuis achter.

Maar nu op Nellie terug te komen. Begin oktober 1944 moest iedereen uit Wageningen weg, en hier heeft het paard Nellie een goede dienst bewezen. De kinderen en ik werden op de melkkar geladen, samen met wat kleren enz., en Nellie werd ervoor gespannen. Moeder en Mevrouw Hendriks reden op de fiets, de oudste jongen reed de fiets van mijn vader. Melkboer Hendriks had een broer die in Bennekom op een boerderij woonde en die we allemaal Ome Gijs noemden. Ome Gijs heeft ongeveer 80 mensen onderdak gegeven in die tijd. We sliepen in de hooibergen, in de varkensstal, en ook op de deel. De koeien gingen ’s avonds in de stallen aan beide kanten van de deel en wij sliepen ertussenin. Moeder en ik lagen vlak naast een koe, en als dat beest zijn kop naar ons toe stak, kroop ik onder moeder uit angst.

Maar ook daar moesten we weg. Vader lag nog steeds in het ziekenhuis in Veenendaal, en op de Zandstraat in Veenendaal konden we uiteindelijk een klein huisje krijgen, een zolder boven en beneden een grote kamer met twee bedsteden, een klein gangetje en een keukentje. De wc was buiten, een plee. We deelden dit huisje met een andere familie. Met de Kerstdagen hadden we een kerstboom op de kop getikt en die met propjes watten versierd, wat sneeuwvlokjes moest betekenen.
Na een paar weken kwam vader thuis, maar kort daarna werd er op de deur geklopt. Het waren Duitse soldaten, en vader kreeg een keus. Hij kon voor hun in Veenendaal komen koken of naar een concentratiekamp in Duitsland weggevoerd worden. Hij was nog erg zwak, maar koos ervoor om voor de Duitsers te koken. Hij sprak vloeiend Frans en Duits. Het was gedurende de hongerwinter en terwijl hij voor hun kookte, hadden wij en vele bekenden ook geen honger meer. Niet dat de Duitsers hem eten gaven, maar zijn jas had diepe zakken!
En zo ging het een paar maanden door, totdat we allemaal moesten schuilen in de kelders van de kunstzijdefabriek in de Zandstraat. Kort daarna mochten we weer naar ons huisje terug en ik heb daar toen mijn zesde verjaardag gevierd. Op de een of andere manier had mijn vader boter en meel te pakken gekregen en bakte hij kleine taartjes. Wat een traktatie voor ons kinderen op het verjaardagsfeestje.

Het eind van de oorlog kwam spoedig daarna en we konden weer naar Wageningen terug. Wat een verschrikkelijke toestand heerste in de stad. De meeste huizen hadden schade, overal lag puin en rommel, en de ramen in huizen waren allemaal gebroken. In ons huis op de Brinkerweg was alles van waarde gestolen, en wat niet gestolen was, was gebroken of kort en klein gemaakt, maar we hadden een huis om in te wonen. Er heerste een grote woningnood, en bijna ieder huis had twee gezinnen. Mijn ouders kozen ervoor om studenten op kamers te nemen. Vader kreeg voor een paar maanden een baantje bij de hulp-politie maar toen de Landbouwhogeschool weer opende in september 1945, ging hij daar weer als chef-kok werken. In september 1945 ging ik voor het eerst naar school, de Piekschool, die toen nog op de Ritzema Bosweg was.

Het heeft m’n ouders heel wat moeite gekost om het huis weer aan kant te krijgen. Maar in augustus 1950 besloten we om naar Australië te emigreren, en in mei 1951 vertrokken we met het schip de Sibajak naar Australië. De eerste paar jaar waren zeer moeilijk voor ons, grotendeels omdat we de Engelse taal niet spraken, maar daar zijn we alle drie vloeiend in geworden. Ook hier hebben we de eerste paar jaar armoede geleden. Vader is in 1976 overleden aan longkanker en moeder in 1999 aan de ziekte van Alzheimer. In 1964 ben ik met een Australische man getrouwd, Rod Torkington, en we hebben twee zoons, een lieve schoondochter en een kleinzoon.

Toch zal ik de Tweede Wereldoorlog in Nederland nooit vergeten. In 1979, 1987, en in 1995 ben ik weer in Wageningen geweest, de laatste keer met m’n man om Bevrijdingsdag te vieren. In 1987 heb ik zelfs gelogeerd bij het gezin dat nu in ‘ons oude’ huis woont, oude kennissen van ons gezin. In 1995 keek Rod z’n ogen uit naar al de vlaggen – er hing zelfs een Australische vlag in de Hoogstraat.

Hier heb ik een Wageningse Bevrijdingsvlag die op 5 mei trouw uitgestoken wordt tot verbazing van de buurt.

Categorie: 1940, 1944, 1945, Sahara | Trefwoorden: , , , | Reageer »